Na mijn studie Politieke Wetenschappen droomde ik van een leven als journalist, maar het bleek uiteindelijk toch niet mijn pad te zijn. Ik kwam erachter dat het verhalende me meer lag. In de jaren negentig schreef ik een aantal theaterstukken. Over tijd en De kreupele, de zwangere en de zot werden opgevoerd in de voormalige en toen al jaren leegstaande cinemazaal Capitole in Gent. Daarop kreeg ik van de stad Gent de kans om mijn volgende stuk Over lijken in de gerenoveerde Minardschouwburg op te voeren. Ik kreeg een stimuleringsbeurs van Het Vlaams Fonds van de Letteren. De vzw die we samen met enkele vrienden hadden opgericht, werd financieel ondersteund door de Provincie Oost-Vlaanderen en de stad Gent. Velen dachten dat we tot een volwaardig theatergezelschap zouden uitgroeien, maar ik miste de magie van de Capitole en, eerlijk is eerlijk, ik voelde me te jong om voltijds te gaan schrijven, bovendien schrikte het onzekere bestaan me af.
De daaropvolgende jaren liet het schrijven me niet los, al beperkte het zich tot impressies van wat ik zoal om me heen zag. Pas veel jaren later, toen mijn vrouw Anita me aanmoedigde om iets met mijn pen te gaan doen, maakte ik de definitieve overstap naar een voltijds schrijversbestaan en zo zag mijn debuutroman ‘Miro’ in 2024 het licht.
In de periode tussen de theaterstukken en het schrijven van ‘Miro’ werkte ik een tijd in de reclamesector. Ik ontdekte dat ik in plaats van advies te geven aan anderen, liever zelf projecten opzette of begeleidde. Ik kreeg de kans om dat voor diverse culturele en non-profit organisaties te doen. De rode draad in mijn werk was naast het verstevigen van het sociaal weefsel een stem en een gezicht geven aan hen die onzichtbaar zijn. Het heeft me als mens en als schrijver gevormd.