'Nachten zonder dagen'
Ik loop achteraan en kijk om me heen. De stad maakt zich op voor de nacht. Winkels sluiten, daglicht wordt kunstlicht. De obers en barmannen wisselen van shift en in de straten wisselen de mensen van gedaante. Ze gedragen zich nu als paarden die verlost zijn van hun bit en leidsel. Ze zijn uitgelaten omdat ze nu kunnen dollen met andere paarden die ze overdag hebben gemist. De nacht is de groene weide waar iedereen met iedereen mag stoeien. Want overdag is iedereen op weg naar iets of iemand, stappend over de stoep of zich verplaatsend in auto’s, bussen of trams, in de overtuiging dat hun werk waardevol is en dat hun persoon ertoe doet, of juist helemaal niet. Mij wacht straks een bed en bij het opstaan een leeg blad. Ik zal een koffie drinken om de hoek en wachten tot de eerste menselijke handeling in de straat zich zal ontvouwen. Ik zal dan een keuze maken wat of wie ik op papier zal vereeuwigen. De stad is daar niet mee bezig, zij is het lege blad waarin iedereen mag opduiken om vervolgens weer te verdwijnen. De stad heeft geen vertelperspectief. Zij rekent op haar straten, bars, winkels, kantoren, bussen, al die plekken die haar tot stad maken en die ervoor zorgen dat mensen elkaar kruisen, blikken uitwisselen, elkaars parfum opsnuiven, soms vluchtig, soms intens, soms zelfs zo overweldigend dat mensen besluiten om elkaar uit het niets aan te spreken, in de hoop dat de vreemde een vriend of geliefde zou kunnen worden, of een gezel om een nacht mee door te brengen, met of zonder seks, om elkaar nadien nooit meer te zien. Ze leert ons gevaarlijke buurten te herkennen of ongure types, welke tenten lekker eten serveren en welke niet, waar de goede feestjes zijn en waar het na elf uur saai en doods is. Daarom zijn we hier. Buenos Aires verplicht ons gebruik te maken van al onze zintuigen die ons duidelijk maken met wie we ons het best verbinden of niet, wat we gaan doen of juist niet. Ze is een oerwoud van geuren en prikkels, van spanning en opwinding. Hier regeert de hoop en de wanhoop, de moed en de angst, de dromen en ontgoochelingen die in elke mens vervat zitten. En wij, wij zijn de jonge indianen die het woud in willen trekken om onszelf te leren kennen en bij gebrek aan kennis van het woud voor de stad kiezen, een constructie van de mens die de heimwee naar dit overgangsritueel naar volwassenheid verzinnebeeldt. Tot we oog in oog komen te staan met onszelf. Wie denkt dat het dorp de zintuigen scherpt, dwaalt. Het dorp is voor de ouderen die verlangen naar rust. Zij mijden de stad omdat ze vrezen dat hun zintuigen hen niet langer tijdig zullen waarschuwen voor gevaar. Dat geldt niet voor ons. We zijn gulzig en staan scherp, want de wereld wacht op ons. Of dat maken we onszelf toch wijs. Alleen onze Gianni heeft een voorsprong op ons. Hij is de nar van onze groep die opgroeide in een van de arme wijken van Buenos Aires. Hij kent dit oerwoud door en door. Hij is de tegenpool van María. Zij woont nog bij haar ouders, in een groot huis in een van de rijke buurten van de stad. Een wijk die weliswaar tot de stad behoort, maar die er niets mee te maken heeft. Gianni is een taaie straatkat en María is een spinnende huispoes. Al verandert ze van gedaante als we de nacht in duiken. Dan wordt ze uitdagend en beweegt ze zich als een krolse panter. De nacht ontbloot telkens opnieuw haar ziel, haar wilde temperament. Misschien heeft ze die nachten wel nodig om de dagen door te komen.
De enige op wie we allemaal stiekem jaloers zijn, is Blas. Hij heeft zijn roman al geschreven, al weet niemand waarover hij gaat en Blas is Blas, hij lost niets. Al veronderstellen we dat het, gezien zijn Duitse voorouders, een lijvige roman is met veel bijzinnen. Het enige dat we weten, is dat hij zijn manuscript naar uitgeverijen heeft gestuurd, verlangend naar iemand die in zijn verhaal de parel zal zien waar hij naar op zoek was. Want we willen ons wel losrukken van onze ouders en sommigen onder ons ook van God, maar de nood aan iets of iemand die ons zijn zegen geeft, is bij ieder van ons nog aanwezig. Maar hoezeer we ook reikhalzend uitkijken naar een onbekommerd schrijversbestaan, het verleden heeft onze toekomst bezwangerd. Ik kijk naar een collage van gezichten op een muur die een kunstenaar heeft aangebracht. Ze staan voor al diegenen die zijn verdwenen, opgelost in het niets. Alleen de Dwaze Moeders houden ze in leven door met de namen van hun kinderen over de Plaza de Mayo te lopen, sommigen nog hopend op hun verrijzenis, maar allemaal verlangend naar gerechtigheid. Zij zijn de echte moedigen onder ons. Want wij durven wel weer te ademen, maar we weten dat de democratie kwetsbaar is. Videla is net veroordeeld, maar het is nog onduidelijk wat er zal gebeuren met alle militairen die het beleid van de dictator uitvoerden.
'Miro'
Miro keek naar het imposante huis. Een brede, hoge bruine poort spleet de zandkleurige gevel in tweeën. Het was veruit het grootste huis dat hij in het dorp al was tegengekomen. Hij voelde hoe een spanning in zijn buik kwam opzetten, ademde even diep in en zocht de bel.
‘Ze hebben geen bel,’ hoorde hij achter zich. Hij draaide zich om en zag een jongetje staan. ‘Je moet kloppen. Hard kloppen. Of je kan ook in je handen klappen. Dan komen ze ook.’
‘Dank je,’ zei Miro en keek naar de poort. In een verlaten straat in zijn handen klappen, leek hem al te belachelijk. Hij nam de grote klopper stevig in zijn hand en sloeg er driemaal mee op de deur. Enkele seconden later verscheen er een groot hoofd door een raam op de eerste verdieping. Miro zag een getrimde, grijze stoppelbaard en kort, golvend zwartgrijs haar en donkere ogen die hem aanstaarden.
‘Wat wilt u?’
‘Excuseer mij. Ik ben op zoek naar Alicia. Alicia Uzal Peñarroja.’
‘Ze is er niet, jammer maar helaas.’
‘Maar ze woont hier wel?’
‘Ja. Maar ze is er niet.’
Miro dacht even na en zei: ‘Wilt u haar zeggen dat Miro is langsgekomen? Ik zal, als u het goedvindt, mijn telefoonnummer en naam achterlaten.’
‘Ik kom,’ zei de man en het luik ging weer dicht. Miro nam zijn notitieboek uit zijn rugzak, scheurde er een papier uit en schreef er snel zijn naam en telefoonnummer op.
De brede deur zwaaide open en Miro zag een kleine en breedgeschouderde man. De ogen van de man deden hem onmiddellijk denken aan die van een gorilla.
‘Carlos Uzal Aranda. Ik ben Alicia haar vader,’ zei de gorilla.
Miro gaf hem het blaadje met zijn naam en telefoonnummer. ‘Ik dacht dat ze hier al zou zijn. Ik kon haar ook geen bericht sturen, want ze heeft me gezegd dat ze geen telefoon heeft.’ Hij hoorde hoe onwaarschijnlijk dat klonk, haalde het papiertje van Alicia uit zijn binnenzak en gaf het aan Carlos.
Carlos bekeek beide papiertjes, glimlachte even, stak Miro’s adres in zijn broekzak en gaf het andere terug. ‘En waarom dacht je dat ze hier al zou zijn?’
‘Toen we afscheid namen, zei ze me dat ze naar huis ging,’ zei Miro en voegde na enige aarzeling eraan toe: ‘We hebben gisteren in Parijs een paar uur met elkaar opgetrokken.’
‘Ach zo.’
Miro hoorde de oprechte verbazing in de stem van Alicia’s vader en vervloekte zijn impulsiviteit. Hij had ook nooit verwacht dat Alicia nog bij haar vader zou wonen.
‘Kom binnen,’ zei Carlos. ‘In deze hitte is het niet gezond om lang in de zon te blijven staan.’
Terwijl hij Alicia’s vader volgde door het huis, vroeg hij zich af waarom Alicia hier was blijven wonen. Elke ruimte die ze doorkruisten, stond vol met massieve donkere meubels en aan de plafonds hingen zware, grote kroonluchters. Zelfs de fotokaders aan de muren bezorgden hem een deprimerend gevoel, want iedereen die op de foto stond, was in het zwart gekleed en keek streng voor zich uit. Hij wist dat Spanje niet bepaald een frivool en lichtvoetig land was, maar dit interieur sloeg werkelijk alles. Het was alsof hij in een huis van een streng katholieke landheer was beland van het begin van de vorige eeuw. Werkelijk niets strookte met het beeld dat hij van Alicia had. Hij was opgelucht toen Carlos door hoge tuindeuren het terras op ging. Miro volgde hem, maar bleef beduusd staan. Dit was geen tuin, maar een park. Het stond vol met bomen en bloemen en planten, en daarachter strekten zich eindeloos de heuvels uit. Zijn ogen bleven even haken bij een afgeknakte stam van een palmboom die desolaat aan de rand van de tuin stond. Hij draaide zich naar Carlos en zag dat die hem glimlachend aankeek.
‘Het is bijzonder mooi,’ zei Miro.
‘Ga maar zitten en geniet ervan, ondertussen zal ik iets halen om te drinken. Je zal wel dorst hebben,’ zei Carlos en ging weer naar binnen. Even later kwam hij terug met een dienblad met daarop een fles rode wijn, een flesje cola, ijsblokjes en twee glazen. Hij deed eerst de ijsblokjes in de glazen en goot er dan langzaam de rode wijn en de cola in. ‘Het is een recept bedacht door vrouwen die wilden vermijden dat hun mannen tijdens hun middagpauze op het land dronken werden. We noemen het tinto de verano.’ Carlos hief zijn glas. ‘Salud.’
‘Salud,’ antwoordde Miro en nipte aan zijn drankje.
‘Als ik het goed heb begrepen, heb je mijn dochter dus eenmaal ontmoet,’ zei Carlos. ‘En na die ene ontmoeting reis je vijftienhonderd kilometer om haar terug te zien.’
Miro knikte.
‘Ik verwachtte ze ook vandaag, maar bij Alicia kan een reis soms een beetje uitlopen. Mag ik vragen hoe jullie elkaar hebben ontmoet?’
‘Echt toevallig,’ zei Miro en vertelde vervolgens het hele verhaal van hun ontmoeting. Hij verzweeg dat Alicia hem aan de makelaar had voorgesteld als haar tuba spelende neef en ook het verhaal van haar tante liet hij achterwege. ‘Ik denk niet dat Alicia verwacht dat ik al zou langskomen,’ besloot Miro. ‘Misschien geeft ze wel gemakkelijk haar adres.’ ‘Dat is ook zo,’ zei Carlos en keek hem vriendelijk aan, ‘maar niet na een paar uur.’
Miro voelde dat de opmerking hem plezier deed en leunde wat achterover.
‘Geniet van deze fase,’ zei Carlos. ‘Het is de fase van het magnetisme. De onbedwingbare zin om de andere terug te zien. Al was het maar om haar stem te horen of samen iets te drinken.’ Carlos wreef met zijn duim over zijn lippen. ‘Ik heb aan je telefoonnummer gezien dat je uit België komt, maar je familienaam is Campo. En dat is een Italiaanse naam. Komt je familie uit Italië?’
‘Nee. Mijn vader was Belg, maar mijn moeder is geboren in Praag.’
‘Praag. Een van de mooiste steden van Europa,’ zei Carlos.
‘Ik zou het niet weten. Ik ben er nog nooit geweest.’
‘Heb je er dan geen familie wonen?’, vroeg Carlos.
‘Wellicht wel, maar ik heb er nooit contact mee gehad. Mijn oma is gevlucht tijdens de Praagse Lente.’ Miro verwachtte dat Alicia’s vader zou vragen waarom, maar die wreef weer even met zijn duim over zijn lippen, en vroeg: ‘Hoe ben je hier geraakt?’
‘Ik heb het vliegtuig genomen en heb op de luchthaven een auto gehuurd,’ zei Miro en dacht even na. ‘Dank u voor dit drankje, maar ik denk dat ik maar eens ga. Wilt u Alicia zeggen dat ik de komende dagen nog in Valencia ben?’
‘Heb je daar al iets geboekt?’
‘Nee, maar ik vind wel een Airbnb.’
‘Je kan hier overnachten, als je wilt. Het huis is groot genoeg en ik verwacht dat Alicia hier morgen zal zijn.’
‘Dat is bijzonder vriendelijk, maar ik wil u echt niet tot last zijn.’
‘Vrienden van Alicia zijn hier altijd welkom. Ik veronderstel dat je wel iets van bagage hebt meegebracht?’
Miro knikte.
‘Ga ze maar halen en ondertussen maak ik een kamer voor je klaar.’
Miro ging op het bed zitten. Dit scenario had hij niet voorzien. Hij keek rond in de kamer. Buiten een houten tafeltje met een stoel, een kleerkast en een nachtkastje stond er niets. Hij keek naar het nachtkastje waarop twee grote flessen bevroren water in een bakje stonden met daarachter een kleine ventilator. Hij hield zijn hand ervoor en vroeg zich af of Alicia’s vader niet wat overdreven had toen hij zei dat dit de beste airco was. Hij ging naar het raam en trok met een touwtje de rieten mat omhoog. De hitte sloeg meteen naar binnen. Hij keek naar de heuvels die zich voor hem uitstrekten, zover zijn ogen reikten. Het beeld deed hem denken aan een reis naar de Pyreneeën die hij met zijn moeder had gemaakt. Uren hadden ze achter elkaar gestapt zonder te praten. Toch was het net in die vakantie dat hij zich het dichtst bij zijn moeder had gevoeld. Hij vroeg zich af wat ze zou denken, mocht ze weten dat hij hier in een huis zat met de vader van een meisje dat hij maar eenmaal had ontmoet. Hij liet de rieten mat weer voorzichtig zakken, trok zijn schoenen uit en ging languit op het bed liggen. Alicia’s vader verwachtte hem pas om half zeven. Hij nam zijn telefoon en zette de wekker. Terwijl hij naar de drie grote houten wieken keek die boven zijn hoofd langzaam ronddraaiden, dacht hij aan het gesprek met Alicia’s vader. Het was hem opgevallen dat hij voor je, af en toe het woord vos in plaats van tú gebruikte. En als hij het zich goed herinnerde uit zijn opleiding was dat iets Argentijns.
Het alarm deed hem schrikken. Het duurde even voor hij zijn telefoon vond en zich realiseerde waar hij was. Hij stond op, ging naar het raam, trok het rieten matje omhoog en zag dat Alicia’s vader helemaal opgekleed op het terras zat.
‘Heb je goed geslapen?’, vroeg Carlos toen Miro het terras opstapte.
‘Ja. Het is hier heel stil.’
‘Heb je zin in een wandeling door het dorp?’
‘Graag.’
Zoals hij had verwacht, was er nu wel volk op straat. En ze waren allemaal opgekleed. Hij voelde zich in zijn T-shirt en jeans een complete buitenstaander. Carlos wees naar het monumentale gebouw dat verderop in de straat lag. ‘Ik stel voor dat we daar even binnenlopen.’ Ze stapten naar het gebouw en tot Miro’s verbazing haalde hij een sleutel uit zijn zak.
‘Ik geef hier af en toe rondleidingen,’ zei Carlos en opende een hek dat naast de ingang van het gebouw lag. Ze stapten langs de muren van het gebouw en sloegen een hoek om. Voor hem strekte zich een tuin uit die Miro deed denken aan een van de tuinen van het Alhambra die hij ooit op foto’s had gezien. Hij volgde Alicia’s vader naar een langgerekt, rechthoekig waterbassin en toen die op de rand ging zitten, ging Miro naast hem zitten. Hij verwachtte dat er een uitleg zou volgen, maar die kwam er niet. Alicia’s vader keek rond in de tuin en speelde ondertussen met zijn vingers in het water. Miro keek nu ook rond en voelde langzaam een rust over hem komen. Buiten het geluid van een klein fonteintje, was het muisstil. Alles ademde harmonie en vredigheid uit. Plots kwam een vogel op een olijfboom zitten en keek hem aan. Om een of andere reden kreeg Miro het gevoel dat de vogel hem iets wou zeggen. En net toen hij dacht dat dit moment zou blijven duren, vloog de vogel weg. Hij volgde hem tot hij uit het zicht verdween.
‘Ik denk dat je dit even nodig had,’ zei Carlos.
Miro glimlachte. Dit was de fijnste rondleiding die hij ooit had gehad. Van één ding was hij al zeker. Hij had deze gorilla graag.
'Met stijgende verbazing'
Het is een mooie, zachte avond en trouwe vrienden van me hebben me uitgenodigd op een feestje.
De avond verloopt gemoedelijk en vrolijk. Het zijn avonden waar ik naar uitkijk. Toch kunnen dat soort avonden soms een bijzondere wending krijgen. Het begon allemaal met een vraag die een van de vrienden stelde.
‘Nemen we een selfie?’
We kruipen met zijn allen wat dichter tegen elkaar aan. Dat heb je met een klein scherm en veel te veel hoofden. En terwijl we naar de telefoon glimlachen, bedenk ik me dat vooruitgang zich in kleine dingen toont. Vroeger was degene die goed foto’s kon maken, altijd de klos. Hij vereeuwigde iedereen, behalve zichzelf.
‘Kunnen we nog eens? Een beetje dichter bij elkaar. Veerle staat er niet op.’
Het selfiegebeuren brengt ons tot mijn grote vreugde nog dichter bij elkaar. Eén iemand kruipt zelfs bij zijn buur op schoot. Onze gezellige avond is vastgelegd voor onszelf en voor ons nageslacht, en met een druk op de knop zal de foto aan iedereen worden doorgestuurd. Geen gedoe meer met mislukte foto’s en bij te bestellen dubbels.
Ik neem me voor om de foto thuis in de cloud te parkeren. En terwijl ik me erop verheug dat mijn vrienden in een wolk boven mijn leven zullen hangen, zegt iemand olijk: ‘Niet op het internet zetten, hé. Je weet nooit dat ze onze koppen voor iets anders gaan gebruiken.’
Er wordt wat gelachen en terwijl het gesprek een totaal andere wending neemt, blijf ik hangen bij zijn zin. Er flitsen allerlei onterende beelden van mezelf voorbij.
Als ik ’s avonds de selfie krijg doorgestuurd, delete ik hem en verwijder ik ook alle beelden van mezelf die ik ooit in de cloud heb gepost. Ik denk aan alle andere wolken die nog boven me hangen en waar mijn beeltenis in ronddwaalt. Om het onrustige gevoel te bezweren, maak ik nog een ommetje. Een eindje wandelen brengt altijd rust. Ik besluit om even naar de Sint-Romboutskathedraal te gaan kijken. Voor het imposante gebouw staat een meisje. Ze is druk in de weer met haar telefoon en met zichzelf. Ze maakt meerdere selfies en neemt daarbij steeds een zelfbewuste, enigszins uitdagende pose aan. Vervolgens verifieert ze of haar zelfbeeld haar wel bevalt en vreemd genoeg oogt ze dan als een bedeesd meisje. Ik sta versteld van de metamorfose die ze keer op keer ondergaat. Na de zoveelste selfiecheck, merk ik dat het resultaat haar bevalt, want na wat tokkelen op haar telefoon besluit ze andere oorden op te zoeken. Of ze er later spijt van zal hebben dat ze geen foto heeft van het bedeesde meisje dat ze ooit was, weet ik niet.
Op weg naar huis voel ik plots heimwee naar de gekartelde foto’s van vroeger, die in albums werden geplakt. Ze hadden een rustig en kommerloos bestaan, net als de mensen die erop werden vereeuwigd.