In deze blog vind je een beetje van alles. Reisimpressies, gedichten, columns... Elke eerste zaterdag van de maand zal ik hier iets posten. Waar in mijn romans en novellen de stemmen van de personages weerklinken, kun je hier kennismaken met mijn stem.
* * *
DOLLY EN HARALD
Dolly Parton en koning Harald van Noorwegen zijn overleden. Beiden deden hun best om een brede bevolkingsgroep voor zich te winnen. Harald omdat hij nu eenmaal koning was van alle Noren en Dolly Parton omdat ze met haar liedjes een zo groot mogelijk publiek wou bereiken. Het belette hen echter niet om af en toe in heel eenvoudige en vooral korte bewoordingen hun mening te verkondigen. Harald: “Noren zijn meisjes die van meisjes houden, jongens die van jongens houden en meisjes en jongens die van elkaar houden” en “Noren geloven in God, Allah, het Universum en in niets”. Dolly over Black Lives Matter: “Natuurlijk doen zwarte levens ertoe” en over lhbtq+-beweging: “Veel van mijn vrienden zijn gay” en “Iedereen mag zijn wie hij wil zijn”. In beide gevallen is het frappant dat toen ze die uitspraken deden, ze geen bagger over zich heen kregen. Nu ze overleden zijn, overheersen de rouw en het verdriet en worden ze op een sokkel gehesen. Uiteraard speelt de mantra ‘Over de doden niets dan goeds’ mee en speelt een zekere massahysterie een rol, maar toch geloof ik dat onder die rouw een verlangen verscholen ligt, een verlangen dat we niet meer uitspreken, iets dat we ergens diep in onszelf hebben begraven, maar waar we wel naar hunkeren. Namelijk een verlangen naar een gevoel van samenhorigheid die de verschillen tussen mensen overspant. Dolly en Harald hebben laten zien dat zo’n proces begint met dat op een zachte manier te verwoorden, zonder een ander aan te vallen of terecht te wijzen. Ze voelden zich ook niet geroepen om zich bij een groep aan te sluiten of om op de barricade te gaan staan. Ze maakten vanuit hun eigen persoon en beleving duidelijk dat iedereen het recht heeft om te bestaan en om als mens te worden gezien. In Nederland loopt een mooi project dat die zachte aanpak illustreert. De landelijke overheid wil dat alle gemeenten een deel van de asielzoekers opvangen. De weerstand is groot. Eén gemeente heeft het initiatief genomen om in overleg te gaan met haar bewoners en in samenspraak een asielcentrum te bouwen en werkelijk alles wat daarbij komt kijken gezamenlijk uit te tekenen: van keuze van de bouwlocatie over allerlei voorzieningen tot zelfs het huishoudelijk reglement. Het resultaat is hartverwarmend. Voorheen rabiate tegenstanders werken er nu als vrijwilliger en worden vrienden met de asielzoekers. De asielzoekers zelf vinden het meer dan fijn omdat ze worden gezien als mens. Andere gemeentebesturen komen nu bij de gemeente langs om te kijken hoe zij de hevige weerstand hebben weten om te buigen. Diezelfde zachte insteek hanteer ik ook in mijn schrijven. Ik moet van de ander - in mijn geval mijn personages - kunnen houden als ik ze tot leven wil kunnen brengen. Want als ik niet van ze houd, dan worden het karikaturen. En ja, ik heb ook soms zin om iemand die ver van mij afstaat te veroordelen, maar dan is er nog altijd Edmond die me licht hoofdschuddend terechtwijst terwijl hij met zijn lepeltje in zijn koffie roert.
* * *
TARRAGONA
De Romeinse restanten liggen nonchalant uitgestrooid over de stad. Soms zijn ze bijna vormeloos: een muur die weigerde om te vallen, een steen die zich afvraagt waar de muur is gebleven, een gevel vol gaten die uitzicht biedt op een braakliggend speelterrein voor katten… In andere gevallen kan mijn verbeelding rusten omdat de stenen een duidelijke vorm en functie weergeven. Ik heb er niet zo heel veel mee. Mijn geest is lui en wil de sprong naar het verleden niet maken. Ik lees obligaat de opschriften, de duiding, de reconstructie. De grote contouren van de geschiedenis zijn me bekend, de details interesseren me niet zo. Ook omdat het in vele gevallen om aannames gaat, veronderstellingen over functies die de ruimten mogelijk hadden. Waarom kijk ik ernaar en sta ik ertussen? Om het gevoel te koesteren van deemoedigheid. Telkens als ik een trap betreed of een brokstuk aanraak, besef ik dat tweeduizend jaar geleden iemand van mijn leeftijd en mijn lichaamsbouw dat ook heeft gedaan. Zelfde steen, andere voeten en handen, andere tijden. De stenen liggen hier goed in Tarragona. In de zomer zijn er vele dagtoeristen die alle restanten afgaan en ze afvinken, al dan niet met eigen bespiegelingen over de tijd en de geschiedenis. Het heeft iets banaals, dat afvinken en ook iets treurigs. De toeristen blijven zelden langer dan een dag. Meer is ook niet nodig, gezien het beperkte aantal bezienswaardigheden. Het woord op zich. De moeite om bekeken te worden. Ik denk aan Herodotus, de Griekse vader van de reisverslagen en geschiedschrijving. Hij beschreef volken, hun rituelen en hun gebruiken. Hij wou de ziel en de aard van de inwoners vatten en begrijpen. Die interesse in de mens is verdwenen, opgelost in de tijd. Reisgidsen en -reportages zoemen nu in op oude gebouwen en pleinen, hippe koffiebars en restaurants, trendy uitgangsbuurten. Vaak zijn ze voorzien van mooie plaatjes zodat de lezer vooraf weet wat hij op reis zal zien en of de trip wel de moeite waard is. Toerisme staat niet langer in het teken van de verrassing en de bijhorende verwondering. Dat zal voor Tarragona niet anders zijn. Toch zijn in mijn ogen juist de inwoners het meest bezienswaardig. Van alle steden en dorpen die ik al in Spanje heb bezocht, heb ik nog nooit zo’n rustig, open, vriendelijk en warm volk ontmoet. Het mooie is dat ze de intensiteit van de Spanjaard combineren met zachtheid. Ze taxeren de passant, maar met een open blik. De Spaanse stugheid is hier niet aan de orde. Misschien ligt het aan de bizarre samenstelling van de bevolking. Er is enerzijds de universiteit en anderzijds de grote, ruikbare, petrochemische industrie. De arbeider mengt zich hier met studenten en bezadigde professoren. En omdat de studenten slechts een zevende deel van de bevolking vormen, overheersen ze de stad niet, maar zorgen ze voor een prettige, jeugdige wind die opsteekt en weer verdwijnt. En zoals in elke stad kom je her en der de ontheemden, de zwervers en de verslaafden tegen die de anonimiteit van de stad verkiezen boven een dorp waar ze met naam en toenaam worden nagewezen.
De Tarragonezen houden van een oppervlakkig vriendelijk contact. Ze hebben duidelijk de essentie van menselijke omgangsvormen met vreemden begrepen. Herodotus duikt weer op als ik op een plein beland waar drie verenigingen castells, menselijke torens, bouwen. Zeven lagen hoog. Schouder op schouder, arm op arm, vrouwen en mannen. Onderaan staan de sterke en brede schouders, maar per laag worden de schouders frêler en smaller. Ik word door emoties overmand als de kleinsten naar boven klauteren. Een Tarragonees met al flink wat jaren op de teller ziet mijn tranen en knikt naar mij. Ik zeg hem dat ik niet kan duiden waarom dit gebeuren mij zo aangrijpt, keer op keer. ‘Dat hoeft ook niet. Je hebt de essentie begrepen,’ antwoordt hij. Het is pas veel later, zittend op een terras, dat ik me bedenk dat de samenleving waarin ik opgroeide me het omgekeerde voorhield en me wijsmaakte dat ik sterk moet worden, niet om de ander te ondersteunen, maar om te klimmen tot ik me boven op de toren bevind. De castells hebben iets dat diep in mij verscholen ligt aan de oppervlakte gebracht. Mijn hart had het onmiddellijk begrepen, mijn hoofd volgde enkele uren later. Ik neem me voor om nog minder tussen de versteende geschiedenis te dwalen of hippe plekken te bezoeken. Ik zal in het museale Europa blijven speuren naar de ziel van de mensen. Herodotus achterna.
* * *
SANTA LUZIA, Praia do Barril
Het einde van de reis nadert en de oceaan roept. Ik loop over een brug en zie in de verte een rood treintje naderen dat zijn tijd neemt. Het zal me door het natuurgebied naar het strand van Barril loodsen.
Een tijd later sta ik op het strand en de oceaan is zoals steeds overweldigend. Maar één beeld zal me voor eeuwig bijblijven. Een kerkhof van ankers. Grote en kleinere ankers, sommige verroest maar nog intact, andere half afgesleten door de tijd en de kracht van het zilte water. De meeste hebben er een lange dienst op zitten, want hun taak was de netten van de tonijnvissers verankeren aan de zeebodem. Netten die zich acht kilometer lang uitstrekten en die de vis naar een groot rond net stuurden, waaruit hij niet kon ontsnappen, behalve aan de haak van een visser. Tot mijn verbijstering wogen de ankers driehonderd tot duizend kilo en werden ze door tientallen mensen naar de boten gedragen om daarna ook nog eens in zee te worden neergelaten. Niet lukraak. Nee, de ankers vormden een ingenieus netwerk en sommige moesten zelfs in elkaar haken. Hoe ze het deden, is me een groot raadsel, al doen diverse borden met tekst en beeld hun best om het me duidelijk te maken. Ik kan de brug naar het verleden niet slaan en ik vraag me af wie vandaag nog zo’n titanenwerk op zich zou willen en kunnen nemen. Terwijl ik naar de ankers kijk die mij als grafzerken aanstaren, denk ik aan de talloze vissers die hier wellicht het leven hebben gelaten.
Het treintje geeft een signaal dat het klaar is voor zijn laatste tocht van de dag. De terugrit verloopt zoals de heenrit, op wandeltempo. Ik kijk naar de lagune. Haar gezicht wordt dooraderd door plassen en stromen die door struiken en grassen van elkaar worden gescheiden. Ze is niet echt mooi, laat staan adembenemend. Ze is stil en eenvoudig. Toch straalt ze een kracht uit die niet alleen de woeste oceaan in toom houdt, maar die ook de onrust en de gejaagdheid tempert die zich soms meester maakt van de mens. Voor ik opstap, lees ik dat de tonijnvissers ditzelfde treintje namen, op hetzelfde trage ritme. In 1966 doofde de tonijnvangst uit. Mijn geboortejaar. De terugrit voelt nu helemaal anders. Toch qua beleving. De plank waarop ik zit, verbindt mijn lichaam nu met het lichaam van een visser van wie ik de naam niet ken. Toen hij de laatste keer het treintje nam omdat hier niet langer werk voor hem was, kwam ik op de wereld. Dat zal wel niet zo zijn, maar ik koester de gedachte.
Het treintje stopt schokkend. Ik kijk zover mijn ogen het toelaten en begrijp waarom de lagune naar voren wordt geschoven als een van de zeven wonderen van dit land, want terwijl de stilte me omringt, denk ik aan de fadozangeres die ik eerder deze week in Faro hoorde zingen. Haar stem hoort hier thuis, want ook de lagune heeft een Portugese ziel die de tijd overstijgt. Een ziel die zich met de mijne heeft verweven.
* * *